ma-deuxieme-vie

Alles over wonen en leven in Frankrijk
Alle informatie overzichtelijk & compleet

Brand?

Brand?

In het dorpje in Normandië waar ik, samen met mijn vrouw, veel van mijn tijd doorbreng wonen ongeveer 600 mensen. Zij leven voornamelijk voor zichzelf maar sociale controle (lees nieuwsgierigheid) staat bij hen hoog in het vaandel. Dat ze altijd klaar staan om elkaar te helpen is een excuus om op de hoogte te zijn van wat zich elders in het dorp afspeelt. Een nieuwe jurk of een andere auto valt op en is een onderwerp van gesprek in het dorp.

Neem ik het hen kwalijk? Welnee! Waar moeten ze zich anders mee bezig houden. Er is geen tennisbaan, geen voetbalclub, geen hobbyclub of zangvereniging. Een keer per jaar is er het “Weekend du Vent”, maar dat is dan ook alles.  Zoek dan maar eens bezigheden.

Maar gelukkig, er is nog de vrijwillige brandweer. Dit is geen club of een vereniging. Nee, de brandweer is een hechte groep die een band vormt tussen alle dappere en strijdbare mannen met liefde voor de maatschappij, de liberté de republique en ons dorp hoog in het vaandel hebben staan. 

Mannen in pakken die ze zich in het dagelijks leven niet kunnen veroorloven en die voor elkaar door en het in vuur gaan.

Gelukkig hoeft dit corps van helden zelden uit te rukken. Een enkele keer doet zich een bermbrand voor omdat een onvoorzichtige toerist zijn brandende peuk door het open raam van zijn auto naar buiten wierp. Ook komt het voor dat ze uitrukken omdat er door broei een hooistapel in de fik vloog.

Maar de laatste serieuze uitruk dateert van zes jaar geleden. En heuse schoorsteenbrand.

Dit elitecorps kan zich verheugen in de belangstelling van alle mannen van het dorp. Zij zijn aspirant-lid, lid, erelid of oud-lid. Als er iets geblust moet worden dan rukken zij met gevaar voor eigen leven uit. Maar voornamelijk blussen zij hun eigen binnenbranden. Mogelijk is de oorzaak daarvan dat de bijzonder gerespecteerde en vooral deskundige hoofdofficier van het corps tevens eigenaar is van de plaatselijke PMU bar. Hier kan worden vergaderd.

Op een mooie zomerdag zat ik samen met mijn vrouw in ons bijna nakie heerlijk te genieten van de zon. Op dat moment verschenen twee mannen in een keurig geperst blauw uniform. Op hun koppen een glimmende helm waarover een koperen band van voor naar achter liep. Onder deze zware hoofddeksels een rode kop waar het zweet van afdroop.

Ik schrok me rot en veronderstelde dat er een door ons niet opgemerkte brand was uitgebroken ergens in ons huisje. Maar hun vriendelijke glimlach stelde ons al snel gerust. Na schudden van handen en neerzijgen in ons tuinmeubilair keken wij hen verwachtingsvol aan. Denk niet dat de felle zon die op hun helmen scheen en er vermoedelijk toe leidde dat hun hersens onder die pannen gekookt werden hen er toe kon verlijden die potten af te zetten. Welnee, dit was hun uniform en discipline moet er zijn. Dus bleven ze zich te barsten zweten, glimlachten wat en zwegen. Inmiddels herkende ik in het overvloedige water dat als een waterval langs hun gezichten dreef de sous-chef van het postkantoor en een vakkenvuller van de plaatselijke Huit-a-Huit. In deze outfit zagen ze er meer dan indrukwekkend maar nog steeds zwijgzaam uit.

Ik voelde eens aan de helm van een van hen. Brandde er bijna mijn hand aan en besloot iets boven te halen om de inwendige brand te blussen. Er kwam een karaf calvados op tafel, voldoende om een biobus 100 km te laten rijden. We klonken glimlachend en zwijgend.

Na de eerste slok stond de postbeambte op en vroeg: “Wij vragen, jij brandweer?”. Waarschijnlijk ging hij er van uit dat wij, zoals de meeste buitenlandse huizenbezitters, geen woord Frans spraken. Vandaar zijn petit-negre taaltje.  Om zijn ongelijk meteen recht te zetten en te bewijzen dat we na 10 jaar regelmatig verblijven in Normandië antwoordde ik hem in mijn meest perfect Frans.

Wij verblijven onregelmatig in ons huisje. Er zijn dus veel weken dat de vrijwillige brandweer niet op ons kon rekenen en daarom niet van onze paraatheid uit mag gaan. Ik voelde me zeer gevlijd door hun vraag, maar was waarschijnlijk niet de juiste persoon om te benaderen.

Mijn toch in heel behoorlijk Frans geleverde uitleg, kon onze postbeambte niet overtuigen. Hij glimlachte en ik hoorde hem denken “Een buitenlander blijft een buitenlander”. Hij kwam direct meer to the point. “Jij niet bij brandweer, jij ondersteunen brandweer”.

Nu werd me een en ander duidelijk. Er werd me feitelijk gevraagd toe te treden tot de Vereniging van Vrienden van de Vrijwillige Brandweer. Al snel werd me duidelijk gemaakt dat aan dit lidmaatschap tal van voordelen kleven.

Je krijgt elk jaar de brandweerkalender, je prestige in het dorp stijgt en tegen een “geringe” vergoeding mag je jaarlijks aanzitten aan het banket van de latente pyromanen. Dat laatste sprak me wel aan.

Tijdens ons eerste deelname aan dit banket zaten de donateurs, die feitelijk het hele feest betaald hadden, weggewerkt aan het eind van de tafel. Wij waren immers geen echte spuitgasten en bij een grote uitslaande brand hoefde men niet op ons te rekenen. Ken je plaats!

Het buffet ging rond het middaguur van start en lalde door tot middernacht. Schijnbaar heeft de echte brandweerman een half etmaal nodig om zich rond te eten. En hij toont daarbij een duidelijke afkeer van water. Hij blust zijn brand met cider maar daar blijkt op den duur ook geen vuur meer tegen bestand. Aan het einde van de avond zijn ook de meest weerbare pompiers volkomen uitgedoofd. De meest simpele waren al onder de tafel gegleden. De leiding van het corps hield zich redelijk goed. Hun dikke billen bleven in contact met hun stoelen en ze zongen chansons waarbij hun gebrek aan muzikaal talent schaamteloos ten toon werd gespreid.

En dat allemaal op kosten van donateurs die alles lijdzaam over zich heen lieten gaan.

Als op deze nacht een uitslaande brand uitbreekt zou er nauwelijks worden ingegrepen. Spuitgasten, zo doordrenkt van alcohol mag je uit veiligheidsoverwegingen niet toestaan dicht bij een open vuur te komen. Een enorme explosie zou het gevolg kunnen zijn.

Kun je je voorstellen wat er van een klein Normandisch dorpje, waar nooit brand is, overblijft als de vrijwillige brandweer bij de uitoefening van haar zware taak in een vreselijk vuurwerk verdwijnt?